Ik zoek een...

Actueel - Nieuws

Reactie van René ten Bos op het artikel van Jos Kessels (september 2018, Tijdschrift voor Coaching)

ma 10 sep 2018

Voor Jos is Socrates boven alle twijfel verheven, voor de meeste commentatoren goddank niet. Het heeft misschien niet zoveel zin om in een filologische discussie met Jos te belanden. Ik ben geen filoloog en mijn kennis van het oude Grieks is te beperkt, hoewel ik het wel steeds geraadpleegd heb. En ik heb natuurlijk ook andere bronnen, net als Jos.

Maar toch. Neem nu dat beeld van het gevangen zijn waar Jos meteen een punt van maakt in voetnoot 1. Het woord ‘desmois’ zou niet 'gevangen' betekenen. Ik weet het niet. 'Desmois' betekent zeker 'geboeid', maar het betekent ook 'gevangen'. Er is sprake van 'desmotas' (gevangenen) en ook van 'desmoterion' (gevangenis).'Phulake' betekent 'wachter', een woord dat in het oude Grieks zeker ook een link met gevangenis had. Kom me niet aan met zeggen dat al die vertalers ongelijk hebben als ze 'desmoterion' vertalen met 'gevangenis'. Nu is het wel de vraag of die gevangenis een echte of een metaforische gevangenis is. In 517b2 staat: "Daarvoor moet  je de zichtbaar-waarneembare wereld gelijkstellen met een verblijf in de gevangenis ...". Het hele punt dat ik probeer te maken is dat Plato zelf bodemloos pessimistisch was over de mogelijkheid die gevangenen te 'bevrijden'. Bevrijden betekent hier eigenlijk zoiets als 'cultiveren'. Ik kom daar op het einde van mijn reactie op terug.

Jos heeft een heel positief beeld van Socrates. Dat heeft hij kennelijk nodig om zijn eigen socratische praktijken te legitimeren. Zou ik de mensen nolens volens hebben beduveld door de ware nobele aard van Socrates aan het zicht van mijn lezers te willen onttrekken? Het ‘bevrijdingsproces’ of hoe je het ook noemt zou om een proces gaan dat van nature moet gaan. Okay, ik ontken niet dat dit er staat. Maar overal in de allegorie staan ook woorden als 'gedwongen', 'dwingen, 'dwong', 'met geweld', 'pijn', enzovoorts. Dit is in ieder geval geen  proces dat alleen maar van nature gaat, denk ik dan.  

Tal van commentatoren hebben erop gewezen dat Plato niet altijd even consistent is in wat hij beschrijft, een punt dat ik ook steeds in mijn boek maak. Ik wijs er bijvoorbeeld op dat er een Socrates van de 'paideia' is en een Socrates van de 'maieutiek': opvoedkunde of verloskunde. Ik vind het laatste beter dan het eerste. Kennis die al in mensen aanwezig is moet je door goede vragen te stellen lospeuteren, zoals Socrates doet met de slavenjongen in Meno, een andere dialoog die mij alleen al om deze reden veel meer lief is dan De Republiek. Ik spreek over deze dialoog op pagina’s 72-74 van mijn boek en verdedig daar de maieuticus in Socrates. Ik ben dus niet alleen maar negatief over hem.

Ik geloof dat Socrates een ambivalente figuur is. Hij is een probleem in de hele geschiedenis van de filosofie en zeker geen figuur die boven alle twijfel verheven is. Ook in de traditie van de socratische dialogen, waar Jos een prominent vertegenwoordiger van is, is er geen eenduidigheid over hem en wordt er een kritische discussie gevoerd over wat hij wel en niet betekent voor hedendaagse socratische praktijken. Ik vind het interessant dat Jos bijna achteloos de hele traditie van vertalingen en interpretaties allerlei misvattingen in de schoenen schuift, vooral omdat ze leiden aan "een gebrek aan ervaring met Socrates' praktijk", alsof die praktijk eenduidig is en alsof ook onder moderne socratici zelf geen hevige discussies woeden over die praktijken.

Ik baseer me in mijn boek niet alleen op lezing van Plato's allegorie zelf, maar ook op lezing van Decartes, Pascal en vooral ook van de Duitse filosofen Hans Blumenberg en Martin Sommer. In een nogal geborneerde recensie van Carel Peeters voor Vrij Nederland wordt mij een 'postmoderne vervalsing' van Plato's allegorie in de schoenen geschoven. Eigenlijk doet Jos net zoiets. Dit is niet wat er staat, schrijft hij bijvoorbeeld. Alsof wat er staat zo eenduidig is. De commentatoren op wie ik me baseer zijn overigens nooit in verband gebracht met postmodernisme of iets dergelijks. Maar dat doet Jos ook niet.

Ik raad hem mede daarom van harte aan Sommer en Blumenberg eens te lezen. Misschien dat dit zijn naïeve en geïdealiseerde beeld van Socrates wat kan bijstellen. Vooral het monumentale boek 'Höhlenaugänge' (Holenuitgangen) van Blumenberg heeft mijn lezing van Plato beïnvloed, ook al ben ik zeker niet onkritisch over deze tekst. Waar komt het op neer bij hem? Heel simpel: Blumenberg heeft veel meer sympathie voor de grotbewoners dan de Plato van de Republiek. Hij stelt daarbij een zo op het oog simpele vraag (die met groot gevoel voor nuance en subtiliteit wordt beantwoord): hoe  kan het volk in die grot weten of Socrates niet ook een bedrieger is? Blumenberg zelf schrijft dan verder niet veel over het sofisme, maar voor mij wordt deze discussie toch heel belangrijk: Wat onderscheidt Socrates nu eigenlijk van de sofist die de bedrieglijke leermeester is? Is Protagoras, een van die sofisten, niet veel geloofwaardiger dan Socrates? Zou dat kunnen? Hoe moeten de geboeiden of de gevangenen een criterium hebben om uit te maken wie de waarheid spreekt?

Nogmaals, dit zijn vragen die iets van een perspectief van het volk zelf willen blootleggen, iets waar Blumenberg zeer nadrukkelijk aandacht voor vraagt. En als je dan toch per se een link wilt leggen met de coachingspraktijk, wat overigens in mijn boek niet het belangrijkste oogmerk is, dan zou ik willen zeggen dat iedere coach (maar ook iedere onderwijzer, wetenschapper, dokter, adviseur, deskundige, enzovoorts) dit soort vragen voortdurend moet stellen. Waarom zouden mensen je willen geloven?

Dat is dus een vraag over het perspectief van het volk. Als je altijd maar in die grot zit - die volgens Sommer overigens helemaal geen grot is maar meer een soort ondergrondse kamer - hoe kun je dan de waarde inzien van wat jij krijgt aangeboden? Of hoe kan ik zien dat Socrates beter is dan Protagoras? Sommigen commentatoren op mijn boek denken dat ik door het stellen van deze vragen een ontkenner van waarheid ben of tegen onderwijs, verheffing of wat dan ook ben. De tweede zin van mijn boek is: “Ik geloof in waarheden.” Het enige wat ik beweer is dat het niet altijd makkelijk is om in te zien wie de waarheid spreekt en wie niet. Noem dit de crisis van de expertise of de crisis van het nepnieuws of iets anders – het is voor mensen net als voor de bewoners van Plato’s grot soms moeilijk in te zien wat waar en onwaar is en wie waarheid en onwaarheid spreekt. En ja, daar heb ik begrip voor, ook al zeg ik nergens dat het volk gelijk heeft als het alles wat het aangeboden krijgt zomaar verwerpt. Ik zeg slechts dat het goede redenen kan hebben om het aanbod te verwerpen.  

Twee dingen wil ik nog zeggen:
1) Alles bij Plato is verticaal. Alles gaat over klimmen en afdalen (anabasis en katabasis). Al in de opening in de opening van De Republiek daalt Socrates met Glaucon, de broer van Plato, de heuvel af op weg naar de havenstad Piraeus, een plek die Plato zo afschuwelijk vond dat je onmiddellijk als Griekse lezer het idee moet hebben gekregen dat het in deze hele dialoog om een bizar soort gedachtenexperiment gaat. Socrates, die afdaalt naar de ongure en onfrisse havenbuurt waar het volk elkaar bedriegt en juist daar, in een gecorrumpeerde wereld, met de mensen op zoek gaat naar rechtvaardigheid - zoiets kan eenvoudigweg niet waar zijn. Deze context breng ik aanvankelijk niet aan bij mijn bespreking van de grot, mar breng ik er later wel in. Ik heb over dat afdalen en klimmen overigens uitgebreid geschreven in Water. Een geofilosofische geschiedenis (2014). Je zou Plato in De Wetten eens moeten lezen over vissers of andere mensen die zich in havenbuurten ophouden. Minachting en nog eens minachting. En angst, je reinste ‘demofobie’. Maar ook elders om je dit tegen.  

2) Het gaat niet zozeer om het verheffen of bevrijden van het volk in die grot, maar om iets anders, namelijk het ontwikkelen van ‘demotikes aretes’, wat zoiets betekent als collectieve of gezamenlijke deugdzaamheid. Het karakter van de mensen moet zo gevormd en gekneed worden dat ze die ‘demotische’ deugden vanzelf gaan tentoonspreiden.  Het gaat daarbij vooral om ‘terughoudendheid’ en ‘rechtvaardigheid’: mensen mogen niet de ‘slaven’ zijn van hun ongecontroleerde lusten. Ze moeten getemperd, gecultiveerd en gekalmeerd worden. Lees hier vooral in Boek IX van De Republiek (met name 590-591 waarin het volk toch ook in niet zachtzinnige termen beschreven wordt). Controle van dat volk staat in de Republiek centraal. Dat het om ‘demotische’ deugden gaat, suggereert in ieder geval dat die deugden voor de ‘demos’ bestemd zijn en  niet zozeer voor wachters, soldaten of heersers (want die behoren niet tot de demos). In tal van commentaren is op dit domesticatie-aspect van de paideia gewezen. Het is helemaal niet de bedoeling mensen te bevrijden of aan te zetten tot een andere geestesinstelling (metanoia), althans niet in de Republiek. Het is de bedoeling om het spook dat het volk heet via paideia enigszins in het gareel te houden. Ik hoef Jos niet uit te leggen dat Plato niet bepaald een voorstander van de democratie was. Ik denk dat hij die kritische traditie in de interpretatie van de allegorie simpelweg onder het tapijt schuift omdat hij een icoon nodig heeft voor zijn eigen praktijken.

Ik bedrijf graag wat iconoclasme hier en daar. Dat is een goede traditie in de filosofie. Was het niet Nietzsche die ooit eens zei, ik meen in Götzendämmerung, dat Socrates zelf niets anders dan laag volk was? Lelijk, dik en ook nog eens alcoholistisch.     



Geef hieronder uw reactie op dit nieuwsitem

Leave this one empty:
Naam:
Don't fill in data here:
Reactie:
Don't put anythin in here:
Nog geen reacties geplaatst