Briefwisseling: Leiderschap nog aan toe
ma 26 jan 2026 - Jesse Segers
Al 15 jaar schrijven Koen Marichal en Jesse Segers brieven naar elkaar. Soms in gesproken vorm, soms in geschreven vorm. Het onderwerp is steeds leiderschap in al zijn facetten en uitwerkingen. Van het abstracte naar het concrete en terug. Soms met sterke emoties en soms koel en pragmatisch. En steeds opnieuw zijn ze het eens met elkaar dat ze het niet helemaal eens geraken met elkaar. Omdat ze op verschillende manieren tegenpolen zijn. Maar ook omdat het antwoord op vragen over wat leiderschap is, welk leiderschap nodig is en hoe dat leiderschap ontwikkelt nooit definitief verworven zijn.
Reageren? Mail naar: info@kloosterhof.nl

Koen Marichal Jesse Segers
Koen Marichal is psycholoog, gastdocent leiderschap in Antwerp Management School, CVA-CNO, TIAS en Sioo, en oprichter van Casa 19 dat collectief leiderschap versterkt. In 2024 verscheen zijn meest recente boek De leider: Dat zijn wij.
Jesse Segers is bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Exeter (VK) en partner van Ginkgo Consulting (BE). Hij helpt leiders en hun organisaties in hun ontwikkeling. Onlangs verscheen het boek Leading from the top:Veranderen en veranderen is drie dat hij schreef met Daan Sorgeloos.
In 2022 schreven ze samen Over leiderschap: 19 inzichten waarin ze recht proberen te doen aan zowel de waarheid als de realiteit van leiderschap. Marichal en Segers roepen op een open idee over leiderschap – ook over dat van jezelf – te koesteren.
Care, if nothing else
Dag Koen,
je laatste brief bracht me terug naar onze eerdere uitwisseling, waarin ik het begrip ‘New Public Brutalism’ introduceerde. Jij nam het nu verder mee en plaatste het in een analyse van leiderschap en maatschappelijke morele desoriëntatie. Terwijl ik je woorden herlees, blijf ik echter bij iets anders haken. Iets wat minder zichtbaar is in politieke analyses, maar wat volgens mij meebepalend is voor hoe organisaties vandaag functioneren: de hoeveelheid rouw die mensen meedragen terwijl ze geacht worden ‘gewoon’ hun werk te doen.
Misschien zijn het geen tegengestelde thema’s. Misschien is de verharding ook een antwoord op iets wat we collectief onvoldoende erkennen: hoe vermoeiend het is om te leven en te werken met verlies dat niet afgerond raakt.
De voorbije maanden werd ik daar meermaals scherp mee geconfronteerd. Zo was er die directiedag waar iemand te laat aankwam, zichtbaar uitgeput. Tijdens de check-in bleek dat hij die ochtend opnieuw had moeten terugkeren naar huis omdat het onder water stond. Zijn partner heeft jong-alzheimer. Een ander lid van het team worstelde met een conflict van de dag ervoor en zei hardop dat ze de laatste maanden minder “space kon houden” als leider. Later begreep ik dat haar partner een jaar eerder overleden was. Andere mensen vertelden me recent dat ze een volwassen kind verloren hadden, en hoe de feestdagen hierdoor extra zwaar waren. Weer anderen getuigden over tinnitus die nooit zwijgt, of over het opnemen van een neefje in het gezin na het overlijden van een broer aan kanker. Recent nog sprak ik iemand wiens moeder euthanasie wil aanvragen, terwijl het volstrekt onduidelijk is of dat wettelijk kan, of het zal plaatsvinden en of de familie er überhaupt bij betrokken wordt. De moeder leeft nog. De beslissing is nog niet genomen. En toch is de anticiperende rouw al volop aanwezig. Misschien net daarom zo uitputtend.
Rouwarbeid vreet aandacht, geduld en beschikbaarheid.
Zelf sta ik hier niet buiten. Zoals je weet ben ik mantelzorger voor beide ouders, met gelukkig erg veel steun van mijn broer. Ik draag ook mijn eigen verlieservaringen mee: de scheiding, het gemis van mijn dochter wanneer ze er niet is, die kerstboom die al eind november in huis stond omdat ik dat ene moment met haar niet wilde missen. Mooi en triest tegelijk. Het vraagt energie. Rouwarbeid is vermoeiend. Niet altijd spectaculair vermoeiend, maar vaak sluipend. Het vreet aandacht, geduld en beschikbaarheid.
Sommige van de voorbeelden noemt Professor Manu Keirse levend verlies of chronische rouw. Een concept waar je waarschijnlijk wel vertrouwd mee bent: het dagelijks dragen en integreren van onomkeerbaarheid zonder een duidelijk moment van afscheid. De persoon blijft fysiek of psychologisch aanwezig maar is respectievelijk psychologisch of fysiek afwezig. Er is geen ritueel dat zegt: nu is het voorbij. Het heeft een niet-eindigend karakter. Vaak is er voortdurende ambiguïteit, hoop, twijfel, uitstel. Dat maakt deze vorm van rouw extra zwaar. Je moet telkens opnieuw schakelen tussen wat was, wat is en wat misschien nooit zal zijn.
In organisaties hebben we hier weinig taal voor. Geen rituelen. Geen sociale erkenning. Je mag voor je (schoon)ouders drie dagen afwezig zijn, voor je zus of broer twee (in België). Voor je beste vriend of buren neem je maar vakantie. En rouw om bijvoorbeeld het verlies van een vertrouwde job door een reorganisatie wordt al helemaal niet erkend. Rouw wordt gezien als iets privé, terwijl de effecten collectief zichtbaar zijn. Mensen raken sneller uitgeput. Leiders voelen dat ze minder ‘space kunnen houden’, maar weten niet goed hoe dat te benoemen zonder het gevoel te hebben te falen.
Daarbij helpt het niet dat het denken over rouw lang is blijven hangen in het klassieke fasenmodel. Dat model is wetenschappelijk al jaren ontkracht. Rouw verloopt niet lineair, niet in vaste stadia en is niet ‘afgerond’ na verloop van tijd. Wel voor de persoon die sterft. De titel van ons boek Over Leiderschap: 19 inzichten, had ook die knipoog: dat de persoon na het lezen van ons boek dan deels over zijn lijden heen is. Maar zeker bij levend verlies kan de intensiteit van de rouw zelfs toenemen met de jaren. Keirse spreekt daarom bewust over rouwtaken, niet over fasen.
Er valt niets op te lossen. Erken het verlies.
De eerste rouwtaak is het onder ogen zien van de realiteit van het verlies. Erkennen dat iets onomkeerbaar is, ook wanneer het nog niet definitief lijkt. Dat vraagt moed en energie. Voor leiders betekent dit: niet minimaliseren, niet wegkijken, de stilte en de tranen niet vullen, niet meteen perspectief bieden. Er valt niets op te lossen. Erken het verlies. Laat mensen meerdere keren hun verhaal vertellen. Begin niet je eigen verhaal te vertellen.
De tweede rouwtaak is het toelaten van de pijn. Verdriet, boosheid, angst en machteloosheid horen erbij. In organisaties is dat moeilijk. Emoties worden snel gezien als storend. Toch kost het onderdrukken ervan nog meer energie. Rouwarbeid is hier bijzonder vermoeiend, zowel voor wie rouwt als voor wie nabij blijft. Zeg dus niet hoe iemand zich moet voelen, maar luister naar hoe die persoon zich voelt. Dwing hen niet om te praten, sommige mensen hebben gewoon behoefte aan gezelschap.
De derde rouwtaak gaat over aanpassen aan een veranderde werkelijkheid. Rollen, grenzen en verwachtingen verschuiven. Wat vroeger vanzelf ging, vraagt nu afstemming. Dat vraagt gesprekken over haalbaarheid en tempo. Ook dit is rouwarbeid. Denkwerk. Onderhandeling. Bijsturing.
De vierde rouwtaak is opnieuw investeren in het leven en weer leren genieten. Niet door het verlies los te laten, maar door te her-inneren. Door (nieuwe) betekenis toe te laten aan wat gebleven is. Werk kan hier een rol spelen, maar alleen als het menselijk georganiseerd is. Hernieuwde inzet betekent niet dat het zwaarste voorbij is. Heb bijvoorbeeld herinneringsconversaties. Vermijd het thema niet.
Het is vaak geen kwestie van tijd, maar van intenstiteit.
Wat het voor leiders extra lastig maakt, is dat rouw vaak reacties oproept waarvoor we weinig woorden hebben. We zeggen dan dingen die goed bedoeld zijn, maar weinig helpen. Zinnen als: “Je moet sterk zijn.” “Het komt wel goed.” “Je moet het een plaats geven.” “Anderen hebben het ook zwaar.” Of: “Probeer het los te laten.” Ze sluiten vaak af waar eigenlijk openheid nodig is.
Helpender zijn zinnen die niets oplossen, maar nabij blijven. “Ik weet niet goed wat ik moet zeggen, maar ik ben hier.” “Dit lijkt me ontzettend zwaar.” “Wat heb je nu nodig?” “Vertel, hoe kom je je dagen door?” “Je hoeft dit hier niet alleen te dragen.” “ Wat voort soort mens was hij of zij? Wat herinner je je het meest?” Zulke woorden kosten weinig, maar vergen aanwezigheid. En ook dat vraagt energie. Het is vaak geen kwestie van tijd, maar van intenstiteit.
Wat mij hierin raakt, Koen, is hoe sterk rouw leiders confronteert met de grenzen van hun rol. Niet alles kan gedragen, opgelost of gereguleerd worden. Soms is leiderschap niets anders dan aanwezig blijven bij wat onzeker, pijnlijk en onvoltooid is. ‘Care, if nothing else’ is dan ook niet voor niets ons eerste inzicht in Over Leiderschap. Dat vraagt een ander soort aandacht dan sturen of beslissen. Het vraagt dat je verdraagt dat je minder kunt, dat je soms tekortschiet, en dat dit geen persoonlijk falen is maar een menselijke realiteit.
Dat maakt ook duidelijk hoe belangrijk steun voor leiders zelf is. Want ook zij dragen verlies, twijfel en vermoeidheid mee. Rouwarbeid stopt niet aan de deur van verantwoordelijkheid. Misschien begint zorgzaam leiderschap precies daar waar we erkennen dat niemand voortdurend ‘space kan houden’, en dat het collectief dragen van wat zwaar is minstens even belangrijk is als het goed organiseren van het werk.
Mij lijkt dat ook een vorm van echt bodemwerk.
Hartelijks,
Jesse