Ik zoek een...

Actueel - Nieuws

Coaching versus Counselling

do 14 apr 2011

Frans van der Gouw heeft de NOBCO thesisprijs 2010 gewonnen voor zijn Masterthesis in het kader van de wetenschappelijke opleiding Master of Coaching Science. Frans van der Gouw is redactielid van Counselling Magazine en heeft de meer wetenschappelijk getinte artikelen in zijn portefeuille. Zijn thesis is nu in boekvorm verschenen, waarin u het resultaat kunt lezen van zijn empirisch onderzoek naar een vergelijking van de essentiële kenmerken van deze twee begeleidingsvormen, die momenteel in onze samenleving steeds meer worden ingezet. Een aanrader voor iedereen die zich met counselling en coaching bezighoudt! Klik hier om een samenvatting van zijn bevindingen te lezen!

Het boekje met het volledige onderzoek is te bestellen bij http://www.lifestyle-business.nl/publicaties.html



Geef hieronder uw reactie op dit nieuwsitem

Leave this one empty:
Naam:
Don't fill in data here:
Reactie:
Don't put anythin in here:

Jaap van Splunter - zaterdag 18 januari 2014

Ervaringskennis ‘versus’ wetenschappelijke kennis* : over de fundering van counselling. Binnen psychosociale beroepsverenigingen speelt de vraag over het belang van wetenschappelijke kennis voor counselling. De gedachte is dat (uitsluitend) een op wetenschap geschoeide aanpak van counselling zal leiden tot kwaliteitsverhoging en vooral erkenning. Incidenteel wordt counselling zelfs vereenzelvigd met wetenschap om er maar in te slagen uit de krochten van de alternatieve zorg en een te diffuus beroepsimago te geraken. De pendule slaat door. Begrijpelijk is de wens tot erkenning: meer status bij de gevestigde gezondheidszorg, de politiek en liefst ook bij zorgverzekeraars (in hun vergoedingenbeleid). In dat kader zeer positief gestemd over de explicitering en verzwaring van (her)registratie-eisen in de afgelopen jaren en het opstellen van beroepsprofielen luidt mijn stelling: een ‘enge, eenzijdige’ gerichtheid op wetenschap (specifieker de psychologie) als referentiepunt voor kwaliteit en profilering van counselling houdt een destructieve benadering in voor een (nog) positiever imago van de beroepsgroep. Het onderscheid met aanpalende beroepsgroepen als therapeuten/psychologen vervaagt daardoor omdat in essentie hiermee de ‘raison d’être’ van counselling wordt ontkend. Juist het alternatieve, het unieke (qua mensbeeld, cliënt-counsellor-relatie, methodische benadering en doelgroep) onderscheidt en legitimeert bestaansrecht van counselling in Nederland. Counselling vult m.i. namelijk een gat. Het gat tussen zelfhulp, een goed gesprek met familie, vrienden, bekenden, humanist of geestelijke enerzijds en anderzijds behandeling van een stoornis (al of niet morbide). Stoornissen die in veel gevallen om een langer durende, intensievere en veel sterker gestructureerde begeleiding vraagt en waarvoor in de psychotherapie en GZ-psychologie inmiddels deels ‘evidence based’ diverse werkzame, breder toepasbare methodieken zijn ontwikkeld. Counselling beweegt zich in Nederland in de meest voorkomende beroepspraktijk vooral op het grensvlak tussen maatschappelijk werk en coaching enerzijds en psychotherapie/psychologie anderzijds. De cliënteel (doelgroep) is niet geselecteerd op basis van indicaties over noodzaak tot ordehandhaving, reduceren van overlast of op grond van maatschappelijk onvolwaardig functioneren; veelal niet doorgestuurd door de werkgever voor ontwikkel- en of verbetertrajecten zoals bij coaching (tenzij bij uitval, verzuim en re-integratie) en zoals gezegd al evenmin geselecteerd op basis van de DSM zoals bij GZ-psychologen en psychiaters. Counselling is dus juist niet expliciet gericht op een stoornis in de zin van de DSM doch specifiek gericht op begeleiding bij reflectie op- en verwerking van door de cliënt ervaren (‘alledaagse’) levensproblemen. Tegelijkertijd op empowerment om zaken in of na stressvolle levensperiodes/gebeurtenissen weer (snel) in eigen hand te nemen en/of om dilemma’s op te lossen. Ik ben me ervan bewust hiermee counselling vooral te definiëren vanuit de feitelijk vigerende beroepspraktijk en (zoals hieronder aangegeven) het mensbeeld en het methodisch grondprincipe van de oervaders van counselling. In Nederland is dat overigens de enig logische benadering voor het funderings- en legitimeringsvraagstuk. In Nederland is (de term) counselling immers nooit, zoals in Angelsaksische landen, vanaf het ontstaan verbonden geweest aan de studie psychologie (in Nederland basis voor GZ- en NIP-registratie). De wens tot funderen als wetenschap behelst de facto het reduceren van counselling tot stroming binnen de psychologie (Rogeriaans, Ericksoniaans, Adleriaans) en daarmee binnen het dominante wetenschapsparadigma (cognitieve gedragstherapie) tot verwijzing naar de marge van de wetenschappelijke discipline. Grensvervaging leidt m.i. tot verlies van de eigenheid van counselling in Nederland. Was het doel niet statusverhoging en betere positionering? Openingen zoeken bij de Universiteit voor de Humanistiek lijkt een passender weg om wetenschappelijke kennis en ervaringskennis beter te kunnen integreren in de methodieken van counselling. De stelling van counsellers die flirten met een wetenschappelijk imago luidt dat counsellers vooral ‘evidence based’ behoren te werken. Ze bedoelen dan dat de counselling-praktijk gesteund moet worden door wetenschappelijk onderzoek en als proces dient te worden ingericht met een wetenschappelijke aanpak. Kern: op zoek naar universeel werkzame begeleidingsinstrumenten die de cliënt brengen tot (‘gegarandeerd’) resultaat. Diezelfde counsellers beroepen zich bij hun stellingname over positionering van counselling in Nederland veelvuldig op buitenlandse literatuur over counselling. Daarbij is de impliciete vooronderstelling veelvuldig dat counselling een universeel begrip is. Laten we daar eerst eens bij stil staan. Nederlandse counsellers zijn (merendeels) niet opgeleid en bevoegd tot het stellen van een officiële DSM-diagnose. Zij hebben in tegenstelling tot de (meeste) counsellers in de VS geen (post)academische opleiding tot psycholoog en/of therapeut genoten en zij bedienen daarmee de facto een evident anders samengestelde cliëntengroep. Onderzoeksuitkomsten naar bijvoorbeeld effectiviteit van wat men in de VS counselling noemt zijn dus rationeel gesproken eerder onvergelijkbaar dan vergelijkbaar. In Engeland is de situatie weer geheel anders. Counselling een universeel begrip? Fictie. Wat is nu eigenlijk het verschil tussen wetenschappelijke kennis en ervaringskennis? Wat maakt het zo belangwekkend om je als beroepsgroep met ‘wetenschappelijk gefundeerd’ te profileren? Door empiristen (met hun nadruk op empirisch kwantitatief-hypothese-toetsend onderzoek) wordt het verschil tussen wetenschappelijke kennis en ervaringskennis met enige graagte gepositioneerd als het verschil tussen ‘waarheid’ en ‘lulkoek’. Tussen bewijzen en beweren. Tsja, als je bewezen resultaat kunt beloven doet dat het imago van beroep en beroepsgroep natuurlijk goed. Maar waarheid enerzijds en anderzijds bruikbaarheid, ja zelfs effectiviteit gaan niet altijd samen. Laten we eens kijken waartoe de drang tot verwetenschappelijking binnen de psychotherapie en de GZ-psychologie heeft geleid. Specifieker in de regionen van de Cognitieve Gedragstherapie (CGT), sinds jaren dominante stroming binnen de GZ-psychologie, psychotherapie en de bestuurskamers van de diverse Zorgverzekeraars. Empirisch-wetenschappelijke eisen (zoals herhaalbaarheid en controleerbaarheid) hebben bij de expansie van gedragstherapie en later ook cognitieve therapie geleid tot een streng protocollaire begeleidingspraktijk. Gesimplificeerd: Intake > diagnose à la DSM > kiezen van protocol > behandeling volgens protocol > meting van resultaat. Vaak gecombineerd met een rolopvatting uit het eveneens natuurwetenschappelijk georiënteerde ‘medische model’, met de patiënt tegenover de deskundige in plaats van de cliënt met de (professioneel) betrokken begeleider. Kennis als waarheid prevaleerde hierbij als neveneffect boven optimaal effect bij de cliënt. Want de protocollaire behandeling leidde tot veronachtzaming of zelfs het diskwalificeren van het belang van: opbouwen van rapport, welbewuste benutting van de cliënt-begeleider-relatie, gebruikmaken van het momentum, benutten van gevoelsaspecten, aandacht voor de hulpbronnen van de cliënt in plaats van de klacht en haar symptomen om er enkele te noemen. Pas in recenter generaties CGT wordt hiervoor meer ruimte gemaakt, tegen de achtergrond van wereldwijd herbevestigd onderzoek dat het belang aantoont van benutting van algemeen werkzame therapiefactoren (empathie, warmte, acceptatie, bemoediging) en placebo-effecten (verwachtingen, geloofwaardigheid van therapeut en therapie). Veel empirische studies (laboratoriumsituatie of klinisch praktisch) meten het effect van de begeleiding overigens tot maximaal een jaar na behandeldatum. Presentatie: bewezen effectief. Vraag: hoe duurzaam werkelijk? Ook wetenschap, hoe stringent ook opgezet, laat zich gemakkelijk manipuleren tot reclame. Daar hoef je geen Huub Stapel voor te heten. Rogers, als grondlegger van het begrip counselling, verzette zich juist tegen de notie dat iedere cliënt met dezelfde aanpak tot (zijn/haar) resultaat gebracht kan worden. Sterker: zijn uitgangspunt is dat de individuele perceptie (het individuele wereldbeeld/de individuele waarheid) van de cliënt prevaleert boven het streven naar universeel toepasbare methoden. Rogers werd mede daardoor vervolgens verguisd als onwetenschappelijk. Er valt dus nogal wat af te dingen op een onbezonnen imago-sterkend ‘verwetenschappelijken van counselling’. Bezinning is noodzakelijk. Mijn conclusie luidt opnieuw: de pendule slaat door.

Pouwel Woldendorp - vrijdag 29 april 2011

Van de samenvatting van Van der Gouws thesis wordt ik uitermate triest. Ik hoop oprecht dat zijn toekomstvisie op begeleiding nooit de enige geaccepteerde werkelijkheid wordt. Dat is een uitermate kille werkelijkheid, waar professionaliteit en kwaliteit gelijkgeschakeld zijn aan wetenschappelijke benadering en groei van kennis. De begeleidingsrelatie (de ontmoeting) tussen twee mensen van vlees en bloed verwordt tot toepassing van wetenschappelijk bewezen effectieve interventies. Nog een stap verder en de cliënt met zijn/haar probleem of vraag wordt protocollair begeleid in plaats van via interventies, die op dat moment vanuit ervaring, intuïtie of wat dan ook aan de orde blijken te zijn. En de couselor moet misschien zelfs wel wetenschapper zijn? Zodat hij/zij tijdens zijn werk wetenschap kan bedrijven? Alsjeblieft niet. Daarvoor is hij/zij geen counselor geworden, net zo min als de huisarts wetenschapper is in zijn praktijk. Niet doen dus, de Evidence Based Practice verder ontwikkelen in de lijn van dit artikel. Laat de counselors werken aan hun persoonlijke groei, laat ze hun pijn en vreugde doorleven zodat ze een authentieke ontmoeting met hun cliënten kunnen aangaan, maar laat ze alsjeblieft geen wetenschapsmensen worden met cliënten als oefenmateriaal.